Reisverslag

 

 

 

Jenny en Herman Brouwer

 

deel 3

 

 

 

17 juni t/m 7 juli

 


Zaterdag 1 juli 2006

 

Als we om 8 uur allebei wakker worden miezert het nog steeds. Op de radio van de wereldomroep horen we berichten dat er in Nederland tropische temperaturen zijn. De camping staat nog steeds onder water en lijkt ook niet zo gauw weer droog te worden. We trekken al gauw de conclusie: inpakken en wegwezen. Om 9 uur, we zitten nog te ontbijten wordt het toch droog. Zo kunnen we gelukkig alles wat nog droog is ook droog naar de auto brengen. De tent is na 36 uur regen uiteraard kledder nat, maar hij heeft geen drupje gelekt!. Alle droge spullen gaan op de achterbank en achter de voorstoelen en alle natte spullen gaan in de kofferbak. Om 10 uur zijn we op weg naar onze nieuwe bestemming. We rijden eerst richting Pisek door een mooi meren gebied. Omdat er ook hier aan de weg gewerkt wordt, zelfs op zaterdag, worden we net na Pisek omgeleidt. Ineens zien we helemaal geen borden meer naar Plzen. Bij Pribram slaan we toch maar links af, anders rijden we weer naar Praag. Het voordeel is dat we over allerlei mooie landweggetjes rijden, maar het nadeel is dat het niet opschiet. Het is inmiddels gelukkig schitterend weer geworden. Na Plzen (de stad van het pils!) gaan we via Stribro naar Marianske Lazne (het vroegere Mariënbad). Als we net Stribro uit zijn steekt er vlak voor onze auto een hert de weg over, we raken hem net niet , maar het hert klapt op een ons tegemoet komende camper. We kunnen het (gelukkig) net niet meer zien, maar horen de klap wel. We hebben weer eens geluk gehad, zo’n camper kan waarschijnlijk beter tegen zo’n aanrijding dan onze super lage auto.

Ondanks de smalle landelijke wegen zijn we toch al om 2 uur op de camping. De camping ligt in Stanowice, een dorpje dat vlak bij Marianske ligt, op één van de aan de oost kant omringende heuvels. Om drie uur hebben we alles al weer opgezet en ingericht. Er waait een lekker windje, we zetten even alles tegen elkaar open en de tent is zo weer droog. Wat een verschil met het weer van gisteren. We gaan op onderzoek uit in de stad. We parkeren de auto in het centrum in een parkeergarage.

 

Een beroemd en zeer mooi kuuroord is Marianske Lazne. Marianske Lazne (Marienbad) ligt 47 km ten zuiden van Karlovy Vary. De weg er naar toe loopt door de bossen van Slavkovsky les (Kaiserwald) en is bochtig. Mooi is het uitzicht op de stad vanaf de heuvels eromheen: diep in het dal, beschermd tegen de koude noordenwinden, ligt de stad.

 

 

De geschiedenis van de stad gaat niet zo ver terug als die van Karlovy Vary. In Marianske Lazne wordt namelijk pas sinds het midden van de vorige eeuw gekuurd. Het dal, waarin de veertig bronnen ontspringen, werd omstreeks 1820 gedraineerd.

 

Tuinarchitect Vaclav Skalnik legde het kuuroord aan als een park. Kenmerkt Karlovy Vary zich door grootsheid en statige gebouwen, Marianske Lazne is zo mooi door haar ruime opzet en de aanwezigheid van veel groen. De stad heeft zo een heel eigen charme.

 

 De Duitse schrijver Goethe was hiervoor blijkbaar ontvankelijk, want hij werd hier op 75-jarige leeftijd verliefd op de 19-jarige Ulrike von Levetzo. Deze liefde inspireerde Goethe tot de 'Marienbader Elegien'.

 

Het kuurgedeelte van Marianske Lazne is vrij van verkeer. Centraal ligt een fraai badpaviljoen met de Kreuzbrunnen (Krizovy). De in Jugendstil uitgevoerde colonnade die op het paviljoen aansluit is prachtig. Bijzonder zijn ook de orthodoxe kerk en de neobyzantijnse Mariakerk.

 

In de stad eten we ijsje, we zien allerlei antieke auto’s en motoren er is vandaag in de buurt een rally geweest en wij vallen midden in de prijsuitreiking.  Er zijn een paar mooie antieke auto’s bij vooral een skoda racewagen uit de 30-er jaren is schitterend. Onderweg terug naar de camping doen we nog wat boodschapjes voor het ontbijt. Op de camping is een restaurant. Uiteraard moeten we die uitproberen. Volgens ons wordt de camping beheerd door twee jonge Tsjechische vrienden. Ze hebben de zaken prima voor elkaar. Het restaurant heeft een kleine kaart, maar er is keuze genoeg. Jenny eet bouf stroganoff en ik een gegrilde forel en allebei knoflooksoep vooraf. Het eten is voortreffelijk, dus de eerste dagen weten we een goed adres om onze buik vol te eten.

Naast de tent kijken we zo vanaf de heuvel neer op Marianske, er is een schitterende zonsondergang. Naast de camping zijn grasvelden met paarden geiten, schapen en herten. Aan de andere kant een vijver met een heleboel kikkers. Ze geven ons een avond-concert.

Al onze spullen zijn goed gelucht en allang weer droog gelukkig, nu zijn we die natte boel weer snel vergeten.

 

Er zijn erg veel Nederlanders op deze camping, zo veel hebben we er deze vakantie nog niet bijelkaar gezien. Als de zon onder is verschijnen na elkaar steeds meer sterren en ja hoor alweer een vuurvliegje. Na Dresden hebben we op elke camping vuurvliegjes gezien.

 

Zondag 2 juli 2006

 

De laatste week van de vakantie is al weer begonnen. Vandaag hebben we lekker lang uitgeslapen en doen rustig aan met het ontbijt en de koffie. De kikkers zingen nog steeds hun hoogste lied, maar vannacht hebben we er wel goed om geslapen. Omdat we in het dorpje Stanowice kamperen moeten we dat natuurlijk ook verkennen. We zijn er gauw mee klaar. Oorspronkelijk woonden er Duitstalige mensen in het dorpje tot en met de tweede wereldoorlog. Na de oorlog zijn de bewoners verdreven en is het dorpje vervallen. Er staan nu een paar mooi opgeknapte huizen, waaronder dat van de camping beheerders. De rest zijn bouwvallen. We wandelen de andere kant op, om de heuvel verder op te klimmen. We komen niet verder door de hoge bereklauwen. Ze zijn schitterend en wel 3 meter hoog. Wel vinden we en dood en uitgedroogd slangetje. We vervolgen dus de verharde weg maar en komen langzaam aan weer in Marianske. We lopen via een bron met geneeskrachtig water, natuurlijk moeten we het even proberen. Het is een vieze smaak, zurig en zwavelachtig. Ook zit er nog wat koolzuur in. Via het station en het centrum komen we bij de Kolonada en de bronnen tempel. Ook hier proberen we de verschillende watertjes, maar geen één staat ons aan, of liever gezegd, de één is nog viezer dan de ander.

Het is erg druk allemaal bussen met Duitsers, die hier een dagje komen kuren. Keurig, zoals het de Duitsers betaamt ingedeeld in handicap. Een bus geamputeerden, een bus met enge huidziektes en ga zo maar door.

 

We zien dat er in de Kolonada een concert komt, dus blijven we even wachten.

Een deel van het philharmonisch orkest van Marianske geeft een uitvoering ze spelen zo’n veertig minuten en het is erg gezellig met al die aan tuitjes met kuurwater lurkende Duitsers. De dirigent is een erg parmantige maar stijve man. Hij lijkt zo uit een operette te zijn gestapt. Ze spelen enthousiast en krijgen ook veel waardering van het publiek,  Volgens het aanplakbiljet geven ze iedere zondagmiddag zo’n gratis concert voor de kuurgasten.

 

Na het concert  is er nog een voorstelling van de muziekale fontijn, die voor de Kolonada ligt. Op de muziek met zang van Andrea Bocelli werkt de fontijn als een waterorgel. Het is erg leuk gedaan en er zijn ook hier veel toeschouwers. Als de voorstelling na zo’n tien minuten is afgelopen wandelen we op ons gemak terug naar de camping. Het is ongeveer 4 kilometer lopen, dus ook vandaag hebben we zeker wel onze lichaamsbeweging gehad. De wandeling gaat door allerlei mooie parken met paviljoens waarin zich ook weer geneeskrachtige bronnen bevinden. Onderweg komen we de dirigent van het orkest nog tegen op zijn fiets. Hij heeft een foudraal bij zich waar je hengels in mee kunt nemen. Dat lijkt me wel erg groot voor een dirigeerstokje.

Om kwart over zes zijn we weer terug op de camping. Bij de beheerders van de camping kunnen we internetten en natuurlijk gaan we daar ook weer lekker eten.  We hebben een lekkere lange avond en genieten weer volop van de mooie zonsondergang. De omgeving is hier prachtig en ook het weer is weer helemaal naar onze zin: lekker warm, maar niet benauwd. We hebben een lekkere sportieve dag gehad, met veel wandelen en gezond eten. En wie weet werken die watertjes wel en zijn we morgen tien jaar jonger.

 

 

 Terug naar het begin

 

Maandag 3 juli 2006

 

Het water doet inderdaad wonderen, we staan 10 jaar jonger op. Om half negen staat de zon al hoog aan de hemel. Vandaag gaan we naar Cheb, een middeleeuwse stad, ongeveer 25 kilometer ten westen van Marianske. We rijden over een mooie weg door het laaggebergte. Na een half uurtje bereiken we Cheb en parkeren de auto op een bewaakte parkeerplaats aan de rand van de “oude” stad.

 

Deze stad met 28.000 inwoners ligt in het uiterste westen van Bohemen, tegen de Duitse grens. Zij is na de Tweede Wereldoorlog grondig gerestaureerd en staat geheel onder monumentenzorg. Verschillende belangrijke wegen komen hier samen, waaronder de weg die van Praag naar Duitsland gaat.

 

In de Vroege Middeleeuwen stichtten de Slaven hier een burcht, van waaruit zij het omliggende land beheersten. Later koloniseerden uit Beieren afkomstige pioniers het gebied, dat zo het oostelijkst gelegen gedeelte van het Duitse Rijk werd. Toen keizer Frederik Barbarossa in 1149 de dochter van de markgraaf huwde, bouwde hij een keizerlijke burcht. Hiermee werd de nederzetting niet alleen uit strategisch oogpunt belangrijk, maar ook in politiek opzicht. Keizer Rudolf van Habsburg verklaarde Eger in 1279 tot vrije rijksstad.

In de 15e eeuw was de stad het toneel van onderhandelingen tussen de Hussieten en vertegenwoordigers van het Concilie van Basel.

Twee eeuwen later werd de roemruchte legeraanvoerder Albrecht von Wallenstein hier vermoord.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep Eger grote schade op als gevolg van zware bombardementen. Na de oorlog werden de Duitsers, die een groot deel van de bevolking van de stad uitmaakten, verdreven. Eger heette vanaf toen Cheb. Het stadscentrum draagt nog steeds een Duits karakter, dat veroorzaakt wordt door de huizen met hun karakteristieke vakwerk en erkers. De hoge zolders met dakvensters dienden als opslagplaatsen van handelswaar. Deze koopmanshuizen behoren tot de interessantste bezienswaardigheden die de stad te bieden heeft. Het zogenaamde Spaliéek is een blok van elf van dit soort huizen, gelegen aan het marktplein van de oude stad. In huis nr. 32 ('in de Zwarte Beer') vergaderde het zelfstandige parlement van Eger, dat onder Maria Theresia werd ontbonden. Op nr. 17 schreef Schiller aan zijn drama Wallenstein. Het toneel van de moord op deze veldheer vormt het raadhuis (Mestsky Dinn), waarin nu het Chebské Muzeum is gehuisvest. Cheb heeft nóg een raadhuis, dat in de jaren '20 van de 18e eeuw werd gebouwd door de Italiaan Alliprandi. Het gebouw is een mooi voorbeeld van rococo-architectuur. Van de kerken die de stad rijk is, zijn de St.- Bartholomeuskerk met haar interessante verzameling gotische sculptuur en de aartsbisschoppelijke St.- Nicolaaskerk de moeite waard.

 

 Ook het kasteel bezoeken we, er is een mooi bewaard gebleven vroeg gotische kapel en een grote zwarte vestingstoren. Daarna wandelen we nog wat door de stad en rusten wat uit in de mooie kloostergang van de Chesleslav kerk.

We rijden daarna weer terug naar Marianske. Voor de tweede wereld oorlog heette de streek waarin we nu zijn het Egerland. Oudere mensen en de meeste jongeren trouwens ook, spreken hier dan ook nog perfect Duits.

We maken er een lekkere rustige avond van, met lekker eten, badderen, wat lezen en zo voort. Ook vanavond worden we weer verrrast door schitterende zonsondergang.

 

Dinsdag 4 juli 2006

 

Het vakantievieren begint al een routine te worden, we slapen wat langer door, doen rustig aan bij het opstaan en ontbijten. Een potje koffie zetten en dan zo langzamerhand op weg. Zo ook vandaag,

Om elf uur zitten we in de auto opweg naar Karlovy Vary, het vroegere Karlsbad, via een ongeveer 60 kilomter lange schitterende route.

 

Dit beroemdste van alle Tsjechische kuuroorden is prachtig gelegen in de heuvels van noordwestelijk Tsjechië en in het dal waar het riviertje de Tepla (Tsjechisch voor 'warm') uitmondt in de Ohre.

 

In Karlovy Vary zelf en in de omgeving ontspringen zo'n 60 warme bronnen. Waarschijnlijk kennen zij hun ontstaan omdat zich ten zuiden van het Ertsgebergte in de loop der tijd vulkanisch gesteente heeft ontwikkeld. De warme bronnen leveren het geneeskrachtige zout- en zwavelhoudende water dat vooral op de spijsvertering en de stofwisseling een gunstige werking heeft.

 

Dit water bracht het kuuroord haar internationale befaamdheid. Voornamelijk in de 18de en 19de eeuw oefenden de bronnen een grote aantrekkingskracht uit op de jetset van verschillende landen. Een hele reeks groten der aarde streek er voor kortere of langere tijd neer, zoals de Russische tsaar Peter de Grote, keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk, Goethe, Beethoven, Brahms, Tolstoi, Smetana, Dvorak en niet te vergeten Karl Marx. De bekendheid als kuuroord heeft ook een belangrijke invloed gehad op geschiedkundig, economisch, architecturaal en cultureel gebied. Ook nu nog trekt de plaats steeds vele bezoekers van ver over de grenzen.

 

Geschiedenis van de bronnen

De reputatie van Karlovy Vary heeft haar oorsprong in de 14de eeuw. Toen ontdekte Karel IV tijdens een hertenjacht de bronnen en hun heilzame werking. Zijn hond had namelijk tijdens de jacht verwondingen opgelopen. Nadat het dier met het water in aanraking was gekomen, genazen zijn wonden zeer snel. Een beeldje, echter niet van een hond maar van een gems, op een rots buiten de stad herinnert aan deze gebeurtenis. Bij de bronnen ontstond al snel een stad die vanwege de heilzame werking van het water een aantal belangrijke privileges kreeg van de Boheemse vorst.

 

Van de middeleeuwen tot bijna het einde van de 16de eeuw bestond een kuur voornamelijk uit het nemen van baden in het heilzame, warme water ('Hautfresser', 10 of meer uren in het water, openkomen van de huid; water wast zo de onderliggende organen). Het was dokter Vaclav Payer, die in 1522 een boek publiceerde waarin hij ook het drinken van het water aanbeveelde. Ook dit leidde soms tot extremen want rond 1750 bestond een piramidale kuur erin om het drinken van het water geleidelijk op te voeren tot 50 of zelfs 70 kopjes per dag, om de hoeveelheid dan weer geleidelijk af te bouwen.

 

Dokter David Becher (1725-1792) was de eerste die wetenschappelijke chemische analyses uitvoerde op het water van Karlovy Vary. Hij startte in 1764 ook het produceren van bronnenzout en de export ervan. Zijn kuurprogramma bestaat nu nog en bestaat in het drinken van water van verschillende bronnen, bij de bronnen zelf en dit volgens een voorgeschreven hoeveelheid, in het nemen van baden en in wandelen in de frisse buitenlucht. Zijn principes resulteerden in de 18de eeuw in het bouwen van verschillende zomerhuizen, wandelpromenades en colonnades over de bronnen.

Tegenwoordig zijn er veel kuurhotels die de kuur van David Becher aanbieden.

Men drinkt het water rechtstreeks van de bron uit een speciale beker, die voorzien is van een hol handvat dat als rietje dient. De regelmatige gebruiker kan zijn eigen beker in een soort garderobe in bewaring geven.

 

Naast het drinken van de voorgeschreven hoeveelheden water van verschillende temperaturen bestaat de kuur uit een speciaal dieet, de nodige lichaamsbeweging in de vorm van gymnastiek en wandelingen en het nemen van baden in het water. Verder kunnen massages, modderbaden en andere therapieën voorgeschreven worden. Gewandeld wordt er langs de promenade die de loop van de Tepla volgt en waaruit op verschillende plaatsen stoom opstijgt of op één van de 130 km aangelegde wandelpaden in de bossen rond de stad.

Het water van Karlovy Vary is werkzaam tegen aandoeningen aan de spijsverteringsorganen (vooral maag, lever en gal), tegen verstopping en suikerziekte. Een kuur kan alleen op medisch advies worden gevolgd.

De export van het bronwater begon in 1844 en helpt spijsverteringsproblemen van mensen over de hele wereld op te lossen.

 

Het water van Karlovy Vary telt nu twaalf belangrijke bronnen waarvan het water in temperatuur varieert van 45,4 tot 73,4°C. De beroemdste is de Vridlo, waar per minuut ongeveer 2000 ltr. water in een enorme straal vanuit de diepte komt en2 tot 14 m hoog spuit.

 

In de stad is een internationaal filmfestival aan de gang, dus is er een extra drukte met allerlei kraampjes en stalletjes waar van alles te doen is. We wandelen zo’n 3 uur door de stad, waar het inmiddels behoorlijk warm geworden is.

We willen alleen de Russisch Orthodoxe kerk nog zien. Onderweg daar naar toe komen we langs een winkel waar ze marionetten verkopen. Er hangt ook een dokter bij. Wij naar binnen en ja hoor, ze hebben ook een vrouwtjes dokter. Zo hebben we ook een cadeautje voor Maartje.

Het is nog even zoeken voordat we de kerk gevonden hebben, maar op een bepaald moment zien we de gouden koepels schitteren. Van binnen is de kerk versierd met schitterende ikonen. De bouw van de kerk is bekostigd uit

de gaven van de Russische aristocraten die hier kwamen kuren. Nu is het dus een financieel probleem om al die schitterende gebouwen in stand te houden en  te onderhouden. Overal in Tsjechië zien we dat ze met veel liefde en vakmanschap bezig zijn met dat onderhoud.

Op de terugweg rijden we langs Becov nad Teplau, een stadje met een kasteel dat er van de weg af erg schilderachtig uit ziet. We gaan er even kijken, maar met uitzondering van het mooie kasteel valt het verder wat tegen. Jenny heeft de laatste dagen erge last van haar ogen, die prikken en tranen. Het licht is behoorlijk fel en we zitten ook op een behoorlijke hoogte. We denken dat het de UV-straling is. Daarom hebben we in Karlovy Vary een hoed gekocht, die het licht wat tegenhoudt. Als we op de camping terug zijn gaan we even lekker onderuit onder het genot van een koud biertje. Het is heerlijk hier op de heuvel, er waait een fris windje en het is zo’n 27°C.

We gaan voor de laatste keer bij de jongens eten, want het is de bedoeling dat we morgen richting Duitsland vertrekken. Ze vinden het jammer dat we gaan.

Voor onze begrippen is Tsjechië een spot goedkoop land. Na het eten kregen we de rekening voor 4 nachten kamperen en vandaag uitgebreid dineren inclusief drinken voor omgerekend € 65,--. En toch hoorden we een aantal Nederlanders klagen dat alles zo vreselijk duur geworden is! Kun je nagaan hoe het hier een paar jaar geleden was.

Op onze laatste avond in Tsjechië krijgen we ook weer een schitterende zonsondergang te zien en bezoek van het vuurvliegje.

 

 

 Terug naar het begin

 

Woensdag 5 juli 2006

 

Om half negen zijn we wakker en om elf uur onderweg naar Goslar in de Harz. Het is een behoorlijke rit van ongeveer 500 kilometer. We rijden via Cheb, Erfurt en Kassel. Het is erg warm, de buitentemperatuur is boven de 35°C, maar met de airco aan is het in de auto best vol te houden. De eerste 200 kilometer is het lekker rustig op de weg en schieten we goed op. Daarna wordt het steeds drukker en ook wordt er weer op veel plaatsen aan de weg gewerkt. Om goed vijf uur bereiken we Goslar en de camping is ook snel gevonden. Op de plek waar we de tent op gaan zetten is de zon al achter de berg, dus is het niet te warm bij het opzetten. Om 6 uur is alles al weer geïnstalleerd en rijden we naar de stad.

 

Goslar is een plaats in de Duitse deelstaat Nedersaksen, gelegen in het district Goslar. De stad heeft een inwoner aantal van ongeveer 58.000. De keizerstad Goslar heeft een meer dan duizendjarige geschiedenis. Goslar heeft twee perioden van grote welvaart gekend. Haar eerste bloei dankte de stad aan de ontdekking van grote hoeveelheden zilver in de Rammelsberg rond 968. Met het oog daarop verlegde Heinrich II zelfs de keizerpalts van Werla naar Goslar.

 

In de late Middeleeuwen bloeide de stad opnieuw op dankzij toetreding tot de Hanze en bevordering tot Vrije Rijksstad. Vandaar dat Goslar vele bezienswaardigheden bezit: vijf grote kerken, resten van de middeleeuwse verdedigingswerken, ruim 800 vakwerkhuizen uit de 15e tot de 18e eeuw en de Kaiserpfalz. De keizerlijke palts werd rond 1050 door Hendrik III uitgebreid met het Kaiserhaus, de Ulrichskapelle en de Domvorhalle, alles ruimtelijk gerangschikt rond een groot plein. Het Kaiserhaus dat je nu ziet is een 19e-eeuwse reconstructie in romantische stijl.

Ervoor staan de imposante beelden van Friedrich Barbarossa, Wilhelm I en kopieën van de 13 raunschweiger leeuwen. Op de muren binnen worden de belangrijkste gebeurtenissen uit de geschiedenis van de keizers uit de doeken gedaan, terwijl in de achthoekige Ulrichskapelle de sarcofaag van Heinrich III staat. Middelpunt van het oude stadscentrum is de Marktplatz. Het eerst valt hier de Kaiserworth uit 1494 op, getooid met houten keizerlijke figuren, een stenen Abundantia en Hercules en het grappige Dukatenmänchen, dat op onverbloemde wijze de rijkdom van het kleermakersgilde symboliseert, door ducaten te poepen..

 

 

Op de gevel van de Kämmerei laat het klokken- en figurenspel om 9, 12, 15 en 18 uur zien hoe ridder Ramm het zilvererts ontdekte. Achter het Rathaus verheffen zich de ongelijke torens van de belangrijkste kerk van Goslar: de Marktkirche. In het straatje ernaast staat het eigenaardige vakwerkgebouw Brusttuch, dat zijn naam vermoedelijk te danken heeft aan de kleermakers die voor het huis hun omslagdoeken te koop aanboden. De fraaie houtsnedes tonen naast bijbelse figuren ook meer wereldse, zoals de Butterhanne: een maagd die vrolijk haar rokken laat opwaaien. Het opmerkelijke huis herbergt een hotel met uitstekende keuken.

 

Ook een bezoek waard is het Große Heilige Kreuz, het stift dat in de 13e eeuw werd opgericht als hospitaal voor ouderen en gebrekkigen. In een deel van de gebouwen zijn ambachtswerkplaatsen ingericht.

 

Goslar is een schitterende stad, we wanen ons in de demiddeleeuwen. We eten heerlijk op het terras op het binnenplein van een restaurant die Weißer Schwan heet. Ze hebben er heerlijke lamszadels. Normaal gesproken krijg je er twee, maar hier krijg ik er zelfs vier. Jenny aan de steak met uien en die is ook minstens een half pond. De serveerster in het restaurant klaagt over de warmte. Als je hard moet werken kun je dat ook wel begrijpen. Nu wij aan het eten zijn is de zon al weer op zijn retour en de ergste warmte is al weer verdwenen. Morgen wordt het volgens deze mevrouw nog warmer!

 

Om kwart over acht gaan we weer richting camping, de tent staat naast een grote kamperfoelistruik, iedere keer waait de zoete geur onze tent in.

 

 

Donderdag 6 juli 2006

 

De afgelopen nacht hebben we een korte, maar flinke onweersbui gehad. Tussen de bergen klinkt het ook extra hard. Om goed acht uur zijn we al weer wakker. De tent is ook al weer droog. Tijdens het ontbijt begint het weer wat te spetteren en tijdens de koffie regent het. We gaan eerst opzoek naar het mooie houten kerkje uit de gids in Hahnenklee. We missen een afslag en komen in Clauthal terecht. Dit is een luchtkuuroord. Ook daar staat een oude houten kerk, de grootste uit Duitsland. De kerk heeft een loden dak. Lood wordt en werd in de buurt gedolven. Ook het orgel is schitterend. De kerk werd gebouwd in 1642 en heeft maar liefst 2200 zitplaatsen.

Ze zijn druk bezig die kerk te restaureren. En het is leuk om de ambachtslieden aan het werk te zien. Ook is goed te zien hoe het was en nu weer wordt. Zo te zien heeft de boktor ook in deze kerk goed huisgehouden.

 

Op de weg naar Goslar vinden we nu wel de afslag naar Hahnenklee en inderdaad al snel zien we het mooie kerkje. De kerk is in 1907/1908 gebouwd naar Noors voorbeeld en er is geen enkele spijker gebruikt. Het is een zogenaamde staafkerk, naar de 12 machtige staven, of houten zuilen, die de grondconstructie dragen. Naast de kerk staat een toren, waarin zich een carrilion bevindt. We hebben het geluk om net op het volle uur voor de toren te staan en kunnen zo het carrilion ook horen.

 

Het weer is inmiddels weer prima, de regen is opgehouden en al snel wordt de lucht weer strak blauw. We rijden terug naar Goslar en bekijken daar de bezienswaardigheden die we gisteren hebben overgeslagen. Dit stadje is een aangename verrassing, toevalig kwam ik het tegen in het gidsje van de Harz. We doen ook nog wat inkopen, een smeedijzeren vogeltje voor in de tuin en een houten pinguin boekenlegger. In het oude schitterend gerestaureerde middeleeuwse ziekenhuisje zijn allemaal ateliers ingericht. (edel-)smeden, pottenbakkers, houtbewerkers enz.

Om zes uur zijn we op de markt om het klokkenspel met bewegende figuren te bekijken. Deze is wel wat spectaculairder dan in Praag, de geschiedenis van de bergbau ( mijnbouw) wordt uitgebeeld. Een mevrouw van een Cylons restaurant maakt reclame voor haar bedrijf en nodigd ons uit om bij haar te komen eten. Ze is erg vriendelijk en praat honderduit over Sri Lanka.

 

Het eten is heerlijk, maar behoorlijk pittig. We hebben extra mild besteld. Andere gasten (toevallig ook nederlanders) doen stoer en bestellen Asiatisch pittig. Volgens mij een kleine vergissing, maar dat is dan ook wel weer genieten om te zien hoe moeilijk ze het krijgen om hun bord leeg te krijgen. Morgen is het de bedoeling om naar huis te gaan, dus even de tank vol en de ramen schoon en daarna terug naar de camping. Onze laatste nacht en avond op de camping. Het is weer een heerlijke avond en we hebben ons weer keurig geïnstalleerd onder het baldakijn. Als de schemering goed doorzet zien we hem weer ons groene oog: het vuurvliegje.

 

 

Vrijdag 7 juli 2006

 

De afgelopen nacht zijn we ook prima doorgekomen, maar daar waren we ook niet bang voor. Alles is lekker droog en het is ook mooi weer als we opbreken. Om half elf zijn we al weer opweg. Het is gelukkig niet zo’n lange rit vandaag. Dat moet ook niet op vrijdag, want dan is het extra druk op de weg.

 

Maar ondanks de drukte schieten we toch aardig op, we rijden om de beurt. De buiten temperatuur is weer aardig opgelopen tot boven de 30°C. Binnen kunnen we het gelukkig lekker koel houden. Om één uur passeren we de Nederlandse grens al. We bellen Zwaantje op om te zeggen dat we even een kopje koffie komen drinken. Dat is een hele verrassing voor haar. Om kwart over drie vervolgen we onze reis naar Beverwijk. Om vijf uur zijn we bij Amstelveen, dan horen we op de radio dat er in beide tunnels een ongeluk is gebeurt. Inderdaad over die laatste twintig kilometers doen we meer dan een uur. Maar dan zijn we toch thuis en worden we verwelkomd door Amber, Merijn en Maartje. De pizza’s staan daarna ook al gauw op tafel. Omdat ze via internet al aardig op de hoogte gehouden zijn hoeven we niet zo veel te vertellen.

Nu het opruimen nog, een paar wasmachines draaien en dan hebben we nog twee dagen om een beetje bij te komen en te wennen aan het idee dat we maandag weer moeten werken.

 

 Terug naar het begin